Adrien François Servais (Halle, 6 juni 1807- 26 november 1866)

Adrien François Servais werd in Halle geboren op 6 juni 1807, als zoon van een schoenlapper.

De familie Servais – Bande woonde in ’t Vondel. Om iets bij te verdienen speelde vader Servais viool en zong meestal op de Grote Markt. Adrien, met een ‘holleblok-viool’ mocht hem vergezellen. Deze straatconcerten liggen aan de grondslag van Servais’ muzikale loopbaan. Als kleine jongen mocht hij niet raken aan de dure viool van zijn vader, die hem om die reden een zelfgemaakte viool schonk, vervaardigd uit een klomp en wat afgedankte snaren. Spelend op dit instrument vergezelde hij zijn trotse vader op diens straatconcerten, tot algemeen vermaak van de omstanders. Op die manier werd zijn muzikaal talent ontdekt door de markies de Sayve, die het wonderkind onder zijn hoede nam en zijn vader ertoe overhaalde hem lessen te laten volgen.


Rond 1827 hoorde de jonge Servais de vermaarde celloleraar Nicolas Platel aan het werk, en meteen ontdekte hij zijn ware roeping: hij zou cellist worden. In 1829 behaalde Servais de 1e prijs aan de Koninklijke Muziekschool (na de Belgische omwenteling omgedoopt tot Conservatorium).


Het jaar daarop werd hij door koning Leopold I aangesteld tot concertleider aan het hof. Na drie jaar lang in het orkest van de Muntschouwburg te hebben gespeeld, vertrok hij als cellist-virtuoos naar Parijs en oogstte de ene triomf na de andere. De rest van zijn leven was een niet-eindigende concerttournee door heel Europa en overal werd hij als een prins onthaald. Berlioz noemde hem de Paganini van de cello : “Sous son archet le violoncelle a un caractère noble, grandiose, passionné, brillant, mélodieux, tel enfin qu’aucun violoncelliste encore ne l’a compris. Ook Berlioz was vol lof na een concert in 1847: Le second concert nous a revélé un talent de premier ordre, un Paganinien, qui étonne, attendrit et entraîne par sa hardiesse, ses élans de sensibilité et son impétueuse allure: je veux parler du grand violoncelliste Servais.»

Zijn zelf gecomponeerde opus 2 “Souvenir de Spa”, een fantasie voor cello en piano, werd een wereldberoemd bravourstuk waarvan de uitvoering een ongewone virtuositeit en technische bekwaamheid vereist van de cellist.


Van 1834 tot 1866 ondernam Servais verschillende concertreizen in heel Europa en oogstte overal triomfen. In 1837 was hij voor het eerst in Nederland. Tijdens een hofconcert in Den Haag werd hij zozeer bewonderd door de prinses van Oranje Anna Paulowna, dat zij hem wenste te introduceren bij haar broer, tsaar Nicolaas I. Servais vertrok in 1839 op concertreis naar Rusland, waar hij onder meer optrad voor de tsaar. Rond 1840 werd hij de eigenaar van een kostbare stradivariuscello, wellicht door toedoen van prinses Youssoupov te Sint-Petersburg.

Servais ondernam nog vaker concertreizen naar Rusland: in 1844/46 bracht de tournee hem tot in het verre Siberië. In Rusland leerde hij ook zijn vrouw kennen, Sophie Feygin. Het echtpaar liet te Halle een riante villa in Italiaanse stijl bouwen. De plannen werden ontworpen door Jean-Pierre Cluysenaer (bouwmeester van o.m. de Sint-Hubertusgalerij te Brussel), en de villa werd later aan de buitenkant versierd met beeldhouwwerk van Servais’ schoonzoon, de Poolse beeldhouwer Cyprien Godebski. Hier kreeg de familie Servais vele beroemdheden over de vloer: musici als Franz Liszt, Henri Vieuxtemps, Anton Rubinstein, Hubert Léonard en Charles Lamoureux, prins de Caraman-Chimay en prinses (en toekomstige koningin) Maria Hendrika.

In 1848 werd hij leraar aan het Brusselse Conservatorium, waar hij vele goede leerlingen vormde, onder wie zijn zoon Joseph.


In februari 1866 reisde Servais nog een laatste maal naar Rusland. Nog hetzelfde jaar, in augustus, gaf hij een concert te Spa. Het zou een van zijn laatste optredens worden: eind november overleed hij op 59-jarige leeftijd. Bij het vernemen van de droeve tijding kwamen vele stadsgenoten toegestroomd naar de villa te Halle, om Servais een laatste groet te brengen. Het stadsbestuur besloot dat de onkosten voor de uitvaart door de stad zouden gedragen worden.

Wie Servais heeft gekend, typeerde hem als een goedlachs en goedaardig, maar gevoelig en impulsief man. Voor zijn uitvoeringen was hij echter onverbiddelijk veeleisend: voor zichzelf, zijn begeleiders én voor zijn publiek. Een vermaarde Parijse pianist werd door hem de laan uitgestuurd omdat hij tijdens de aanslepende repetities herhaaldelijk op zijn uurwerk had gekeken. En toen hij te Parijs een uitvoering van Wagners Tannhäuser bijwoonde, en praatzieke mensen in het publiek hem beletten zich op de muziek te concentreren, riep hij luidkeels: “Vous n’êtes que des barbares!”


Adrien Servais was een kloek gebouwde man met grote handpalmen en lange vingers. Die handstructuur liet hem toe zonder moeite de moeilijkste passages te spelen en de meest complexe vingerzettingen te verwezenlijken die muzikanten met kleinere handen niet aankonden.

De innige wens van A. Servais was dat zijn hart in zijn geliefd Halle zou bewaard blijven. Daags na zijn dood werd de autopsie gedaan en werd zijn hart gebalsemd en in een urne aan het stadsbestuur overgedragen om het op het stadhuis te bewaren tot bij de inhuldiging van zijn standbeeld.
Voor waarheid wordt aangenomen dat zijn gebalsemd hart in een urne ligt ingemetseld onder het voetstuk van zijn monument. In ieder geval werd bij de translatie van het stoffelijk overschot van Servais en zijn zoon Jozef, van het oud-kerkhof naar het nieuwe, in 1897 geen gewag gemaakt van het overbrengen van het hart naar het nieuwe grafmonument.

Het standbeeld uit Carrarisch marmer werd door zijn schoonzoon Cyprien Godebski gebeiteld. Het kostte in 1870, 1500 goudfranken. Het werd plechtig onthuld op 1 oktober 1871.


Servais wordt beschouwd als één van de grootste cellisten van zijn tijd. Als virtuoos leverde hij een omvangrijke bijdrage aan de ontwikkeling van de cellotechniek: waarschijnlijk was Servais de eerste cellist die zijn instrument met een ijzeren steunpunt deed uitrusten. Zijn stradivariuscello van 1701 was erg groot. Zelfs Servais, met zijn grote gestalte, had moeite om die cello met zijn benen vast te houden zoals tot dan gebruikelijk was. Vanaf 1884 is de pin gemeen goed geworden. De pin maakt het bespelen makkelijker en laat ook meer virtuositeit toe.

Zijn talrijke optredens droegen bij tot de doorbraak van de cello als solo-instrument, en zetten de Belgische celloschool op de kaart van Europa.
Het opschrift op de sokkel van Servais’ standbeeld bleef lange tijd eentalig Frans, “Unique dans son art, il y rayonne en maître. Il fut aimé de tous et fut digne de l’être » maar kreeg uiteindelijk op de linker- en rechterkant een Nederlandse vertaling toegevoegd.

De oorspronkelijke smeedijzeren omheining diende, ingevolge chemische verwering, te worden afgebroken.

De strijkstok van zijn cello was reeds gehavend vóór de aanvang van de tweede wereldoorlog maar brak verder af bij het opblazen van de kanaalbruggen door de Engelsen, zodat hij, als het ware, een revolver in de rechterhand hield i.p.v. een strijkstok. Later werd dit euvel bijgewerkt.
Ook de snaren van zijn cello ontbraken al geruime tijd maar werden hersteld in 1999 bij de restauratiewerken van het standbeeld.

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Halle en getagged met . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s