Alessandro Moreschi (1858 – 1922)

De laatste “Castrato”

Op 11 november 1858 kwam in een groot rooms-katholiek gezin in Italië Alessandro Moreschi ter wereld. Op de dag van zijn geboorte werd hij meteen al gedoopt. Dit wijst erop dat zijn gezondheid te wensen overliet en men voor zijn leven vreesde. Mogelijk werd hij toen al gecastreerd, als geneeswijze voor de aandoening waar hij aan leed. Een andere optie is dat hij, zoals in die tijd gebruikelijk, rond zijn zesde gecastreerd werd. Jongetjes met zangtalent ondergingen deze ingreep om ervoor te zorgen dat hun stembanden zich niet, onder invloed van hormonen, zouden ontwikkelen en ze sopraan bleven. Ze volgden vervolgens een intensieve muzikale training die niet alleen zangonderwijs met zich meebracht, maar hen ook instrumentaal en in theorie grondig schoolde.

Op zijn vijftiende al werd Moreschi Eerste Sopraan in het koor van de basiliek van San Giovanni Laterano. Zijn verplichtingen hier wisselde hij af met het zingen in de salons van de upper-class van Rome en hij werd al snel bekend als l’Angelo di Roma.


Zijn zang op zo’n soirees werd erg levendig beschreven door Anna Lillie de Hegermann-Lindencrone, de Amerikaanse vrouw van de Deense ambassadeur bij de Heilige Stoel: “Mevrouw Charles Bristed van New York, een recente bekeerlinge tot de Kerk van Rome, ontvangt op zaterdagavond. .. De pauselijke zangers zijn de grote attractie want haar salon is de enige plaats buiten de kerk waar men ze kan horen. De beroemde Moresca [naam vervrouwelijkt sic], zanger in St Jan van Lateranen, is een sopraan van ongeveer veertig winters. Hij heeft een traan in elke noot en een snik telkens hij ademt.”

Uiteindelijk werd hij benoemd tot Eerste Sopraan van het koor van de Sixtijnse Kapel: een positie die hij de daarop volgende dertig jaar vervulde. Binnen het koor vervulde hij een belangrijke rol: naast het zingen, kreeg hij in de loop van de tijd ook steeds meer invloed op het uitgevoerde repertoire en de solisten die voor projecten gevraagd werden.


Moreschi’s directeur bij de Sixtijnse Kapel was Domenico Mustafa, zelf een sopraan castraatzanger en misschien zelfs beter dan Moreschi, besefte dat Alessandro de enige hoop betekende voor de voortzetting van de Sixtijnse traditie van het uitvoeren van de beroemde bezetting voor het Miserere van Gregorio Allegri gedurende de Goede Week. Wanneer Moreschi toetrad tot het Sixtijnse koor, waren er nog zes andere castraatzangers leden, maar geen van hen was in staat om dit zeer belastende werk qua tessituur te brengen.


De laatste zes castrati

Moreschi’s status van star lijkt hem soms naar het hoofd te zijn gestegen: “het gedrag van Moreschi was vaak grillig genoeg om hem te doen vergeten dat hij professioneel moest zijn. Zo kwam het dat hij op een keer na een concert paradeerde tussen de menigte als een pauw met een lange, witte sjaal, om te worden worden gefeliciteerd …”


De opnamen van Alessandro Moreschi (ca. 1902 – 1904).

In het voorjaar van 1902, in het Vaticaan, maakte Moreschi de eerste van zijn fonograaf opnames voor de “Gramophone Company”. Hij maakte nog meer opnamen in 1904: er zijn zeventien opnames in totaal.

Tussen deze twee sessies hadden zich een aantal noodlottige gebeurtenissen voorgedaan: in 1903 ging de oude Mustafà eindelijk met pensioen, en een paar maanden later stierf Paus Leo XIII, een fervent voorstander van de Sixtijnse traditie.

Zijn opvolger was Paus Pius X, een even krachtig pleitbezorger van Cecilianism. Deze aanhanger van het Cecilianisme wilde, net als in vroeger tijden, jongenssopranen de hoge stemmen in het koor laten vervullen en daarmee kwam er een einde aan de praktijk van de castraten.

Tot aan het einde van zijn leven woonde Moreschi in een huis vlakbij het Vaticaan. Bij zijn begrafenis waren vele mensen aanwezig. Moreschi werd begraven in een grafkelder in de Cimitero del Verano, de grote”stad van de doden”. Zijn collega Domenico Salvatori ligt in hetzelfde graf.

De castraat bleef in de herinnering als een compleet baardloze man met een opmerkelijk brede borstkas en een hoge spreekstem: een gevolg van zijn castratie.

Hier is “Ave Maria” (Bach / Gounod)
De opname is van 4 november 1904

Advertisements
Dit bericht werd geplaatst in Muziek en getagged met . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s