Hans Keilson – “In de ban van de tegenstander”

Ik hoorde voor het eerst van de man tijdens het dagelijkse programma “De Wereld draait door” met Matthijs van Nieuwkerk.

Matthijs interviewt een oude man (100) die in de Sunday Book Review van The New York Times als genial wordt bestempeld:

““The Death of the Adversary” portrays Jewish life in Germany as the Nazis gain control, but the words Jew, Germany and Hitler, referred to as “B,” never appear. The protagonist, a young Jew, feels distanced from both his own people and current events. He develops an intimate obsession with B, understanding that, as Dr. Keilson said, “B needed the Jews to project onto them what he dislikes in himself.”

He wrote about 50 pages of the novel in the Netherlands before the German occupation; buried them; then finished it years later.”

“For busy, harried or distractible readers who have the time and energy only to skim the opening paragraph of a review, I’ll say this as quickly and clearly as possible: “The Death of the Adversary” and “Comedy in a Minor Key” are masterpieces, and Hans Keilson is a genius.”

Ik bestelde daarom onmiddellijk “In de ban van de tegenstander.”

Ik heb het boek nu uitgelezen en ben overdonderd.

Hans Keilson (°12 12 1909) is een Duitse jood. Hij groeide op in Bad Freienwalde (aan de Oder). Hij was 27 jaar toen hij in 1936 voor de nazi’s uit Berlijn naar Nederland vluchtte, waar hij tijdens de Duitse bezetting onderdook. Hij stuurde zijn eerste gedichten naar Anton van Duinkerken, die ze in de jaren dertig publiceerde in het katholieke en antifascistische maandblad ‘De gemeenschap’. Al die gedichten – ze zijn in het Duits geschreven – kent Keilson nog uit het hoofd.

Hans Keilson kon zijn ouders, Max en Else Keilson, niet redden. Ze kwamen om in Auschwitz. Tijdens en na de Tweede Wereldoorlog hield de auteur zich bezig met het verbeteren van het lot van verwaarloosde kinderen. Dat beschouwt hij als zijn levenswerk.

Een jongen groeit op in een niet met name genoemd land waar een volksmenner steeds meer aanhang krijgt. De demagoog bedreigt de evenmin nader aangeduide bevolkingsgroep waartoe de jongen behoort. Het begint met discriminatie: de jongen merkt dat de meeste andere kinderen niet meer met hem willen spelen. Gaandeweg wordt duidelijk dat de bevolkingsgroep in kwestie zijn leven niet meer veilig is.

Als puber vraagt de hoofdpersoon zich af waarom de man die het hele land in zijn macht krijgt zo door haat wordt gedreven. De tegenstander boeit hem. Is deze zelf een werktuig van een hogere macht? Soms twijfelt de verteller (de roman is hoofdzakelijk in de eerste persoon geschreven) aan het bestaan van de volksmenner, die in het boek B. wordt genoemd.

Hij heeft foto’s van zijn vijand in de krant gezien, hij heeft een toespraak van hem gehoord, maar hij gelooft pas echt in zijn bestaan wanneer hij zich toevallig tegenover B. bevindt tijdens een rijtoer. De jongeman, die inmiddels is gaan inzien dat haten in bepaalde gevallen mag, spijt het dat hij geen revolver bij zich heeft. Hij was al vervreemd geraakt van een vriend en een vriendin die aanhangers van B. waren geworden en had jongelui die voor het merendeel ogenschijnlijk heel normaal waren er prat op horen gaan dat zij een begraafplaats hadden geschonden.

Het verweer van de verteller voert ver, maar is cruciaal voor zijn analyse. Een vriend legt hij het zó uit: ‘Er bestaat een gemeenschap die wezenlijker is dan de gemeenschap van alle gelijkgezinden, groter dan die van degenen die tot één partij behoren. De gemeenschap van de tegenstanders. De gemeenschap van hen die onlosmakelijk op leven en dood met elkaar strijden.’

Die symbiose is de verteller op het spoor gekomen toen hij op reis door de provincie in zijn hotel B. hoorde spreken. Daar, is de suggestie, ging hem een licht op. B’s haat tegen de Joden kon niets anders zijn dan een projectie van diens eigen demonen: ‘Alles wat hij in zichzelf verzweeg en waarmee hij niet in het reine kon komen, zag hij in mij.’

Voor de verteller neemt dit inzicht een heel persoonlijke vorm aan: ‘Hij en ik waren in elkaars gezichtsveld gekomen, we hadden met elkaar te maken. Wij groeiden naar elkaar toe, tussen ons was verwantschap ontstaan, wij waren aan elkaar verbonden met de sterke banden van vijandschap op leven en dood.’ Hij verheelt daarbij niet hoe hij destijds in de naïeve hoop (‘de waan’) verkeerde dat hij juist door die sterk beleefde band B. in een persoonlijk gesprek van diens waan zou kunnen bevrijden.

Tegen het eind van de roman – in een adembenemende scène waarin hij B. triomfantelijk door de straten van de grote stad ziet rijden temidden van een uitzinnige menigte – luidt de conclusie dat hij veel aan zijn vijand te danken heeft: ‘In hem heb ik mijn angst herkend.’ Het is een inzicht dat hij, in alle bitterheid, als een geschenk voor het leven ervaart.

Het is bijna onvoorstelbaar dat Keilson, die het nazisme aan den lijve heeft ondervonden en wiens ouders in Auschwitz zijn vermoord, in dit boek zo ver boven de materie staat dat hij uit de verschrikkingen van de Holocaust deze universele wijsheid weet te destilleren. Hij beseft zelf maar al te goed dat die de geschiedenis niet ongedaan kan maken, maar hij biedt ons wel een diep inzicht in het verband tussen onze angsten en de vijandbeelden die we erop nahouden.


In de ban van de tegenstander is een fijnzinnige, in een heldere stijl geformuleerde, psychologische roman, waarin de dreiging meer voelbaar wordt gemaakt dan concreet verwoord. Het boek is in 1944 geschreven en later o.a. in het Engels vertaald. Deze roman noodt tot nadenken en herlezen.

Ook al zijn directe verwijzingen weggelaten en worden Hitler noch Duitsland noch joden genoemd, toch is duidelijk dat de ik’ opgroeit in Duitsland tijdens de opkomst van Hitler en dat hij een joods jongetje is. Hij is tien jaar, als hij zijn vader vraagt wie die persoon toch is die maakt dat ‘wij Gods genade nodig hebben’. Het antwoord van zijn vader luidt dat ‘B. onze vijand is’. Natuurlijk vraagt de ‘ik’ waarom dat zo is. B. kent hem toch helemaal niet? Het onbevredigende antwoord van zijn vader is: ‘Wij zijn…’

Enige tijd later vertelt zijn grote vriend, die op dat moment echter een volger van zijn vijand blijkt te zijn, hem het volgende: ‘Hij laat zich door jou meeslepen. Vergeet dat niet! Je moet zijn woorden onderzoeken, je moet zoeken waar hij door jou geraakt is. En dan zou je weleens kunnen ontdekken dat er misschien een zekere verwantschap tussen jullie bestaat.’ Zijn vriend neemt afscheid van hem met een parabel waarin verteld wordt dat ‘elanden wolven nodig hebben om te overleven’.

Als de hoofdpersoon jaren later zijn tegenstander hoort spreken, concludeert hij dat die in hem een evenbeeld schiep: ‘Alles wat hij in zichzelf verzweeg en waarmee hij niet in het reine kon komen, zag hij in mij. Betoverd, meegesleept en tegelijk een en al schrik en afkeer.’ Zo blijken de hoofdpersoon en zijn tegenstander in de ban te zijn van elkaar. De tegenstander had nog niet gehandeld, nog niet gekozen en dus kon alles nog in orde komen als de hoofdpersoon maar de gelegenheid zou krijgen om hem in een goed gesprek te laten zien dat hij niet was zoals de tegenstander vreesde dat hij was. Als ze elkaar eenmaal zouden leren kennen, dan zou de tegenstander zien dat zijn haat uit angst voor hem en voor anderen zoals hij niet nodig was.

Het is deze hoop, maar ook het begrip dat hij toont voor zijn tegenstander, dat ervoor zorgt dat de hoofdpersoon geen medestanders kan vinden. Hij krijgt van een vriend, die de parabel indachtig de ietwat dubieuze naam Wolf heeft, zelfs het verwijt de filosofie van het slachtoffer aan te hangen.


In 1942 schrijft hij de eerste veertig pagina’s van In de ban van de tegenstander en begraaft deze pagina’s in zijn tuin. In 1959 verschijnt de eerste druk van zijn dan volledig uitgewerkte roman. In Nederland heeft zijn boek nauwelijks succes. In Amerika noemt Times Magazine het in 1962 bij de beste boeken van dat jaar. De onlangs, herziene, uitgave, n.a.v. Keilsons honderdste verjaardag, krijgt nauwelijks belangstelling totdat de biografe van Anne Frank, Francine Proos, Keilsons boek in de New York Times een meesterwerk noemt en de auteur een genie.

En plotseling zit de 101 jarige Keilson in ‘De wereld draait door’! “Eindelijk gerechtigheid?” vraagt Matthijs van Nieuwkerk n.a.v. de plotselinge bekendheid die zijn gast ten deel is gevallen.
“Bij gerechtigheid denk ik aan mijn ouders die naar Auschwitz zijn gedeporteerd”, antwoordt Keilson.

Dit bericht werd geplaatst in Boek, Gelezen, Oorlog en getagged met . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s