Louis Paul Boon

Vandaag zou Louis Paul Boon 100 zijn geworden.

Louis Paul Boon werd geboren te Aalst op 15 maart 1912. Hij werd aanvankelijk opgeleid tot autoschilder. Hij werkte dan ook vanaf zijn 14 jaar in het schildersbedrijf van zijn vader. In zijn vrije tijd bezocht hij echter de Academie voor Beeldende Kunst in zijn geboortestad.Hij las ook veel, vooral dan naturalistische schrijvers zoals Cyriel Buysse.In 1939 schreef hij zijn eerste roman : “Het brood onzer tranen”.

Hij was toen ook reeds politiek actief. Hij behoorde tot de “Daensisten”, een christelijk-socialistische splinterpartij. Tijdens de tweede wereldoorlog is hij werkloos en tracht hij wat te verdienen als huisschilder. Tijdens deze oorlog schreef  hij “De voorstad groeit” (1942) en “Abel Gholaerts” (1944).

Na de oorlog werd hij lid van de communistische partij en journalist-kunstredacteur bij “De Rode Vaan” en redactiesecretaris bij “Front”. Later werd hij redacteur bij de socialistische krant “Vooruit”. In “Mijn kleine oorlog” uit 1946 stelt hij zijn oorlogsherinneringen te boek Boon evolueert van een anarchistisch-communist tot een individualistisch-socialist. “Schop de mensen tot zij een geweten krijgen.” Met deze oproep tot engagement sloot Louis Paul Boon de eerste editie af van “Mijn kleine oorlog”, een bundeling van krantenkronieken en notities over de oorlogsjaren, die in 1947 verscheen.

Deze ontwikkeling komt tot uiting in de sociale dubbelroman “De Kapellekensbaan” (1953) en “Zomer te Ter-Muren”(1956). Van 1954 tot 1957 publiceerde hij het eenmanstijdschrift “Boontje’s Reservaat”  In 1955  verschijnt een eigentijdse bewerking van de Reinaert-verhalen onder de titel “Wapenbroeders”.

“De bende van Jan de Lichte” (1957) en het vervolg hierop “De zoon van Jan de Lichte” (1961) zijn schelmenromans met een sociale ondertoon. Helemaal anders is “De paradijsvogel” uit 1958 waarin hij het heeft over godsdienst als de verdringer van de seksualiteit.

Zijn latere werk evolueert meer en meer naar sociale geschiedschrijving. Dit bereikt zijn hoogtepunt in de biografische roman “Pieter Daens”, broer van priester Adolf Daens, wiens leven in het teken stond van de ontvoogding van de Vlaamse katholieke arbeiders. Met dit werk won hij trouwens de driejaarlijkse Staatsprijsvoor verhalend proza. Later werd het verfilmd. Zijn laatste werken, zoals “De zwarte hand” (1976) en “Het jaar 1901” handelen over het anarchisme in de omgeving van Aalst rond 1900.

Louis Paul Boon was een sterk maaschappelijk geëngageerd iemand die zich uitte als voorvechter van de arbeidersklasse. In vele werken stelde hij de sociale wantoestanden aan de kaak.

De schrijver ontving in 1967 de Constantijn Huygensprijs voor zijn gehele oeuvre.
Hij schreef ook onder de pseudoniemen Boontje en Lew Waitmans.

Op 10 mei 1979 overlijdt Louis Paul Boon in zijn woning te Erembodegem terwijl hij werkt aan een roman die “De kasteelheertjes” zou gaan heten.

Louis Paul Boon had ook een verborgen kantje. Hij verzamelde min of meer pornografische naaktfoto’s van vrouwen : zijn “fenomenale feminatheek”.

Deze  “fenomenale feminatheek” is een ‘katalogus’ van meer dan twintigduizend foto’s met vrouwelijk naakt, dit met de bedoeling trachten een beeld te geven van wat de vrouw in onze samenleving aan erotiek te bieden en te nemen heeft.

De man die deze foto’s verzamelde en in de waan leeft – hierdoor een haast wetenschappelijk werk tot stand te brengen, is schrijver, schilder, en een beetje gek. Zijn verzamelen werd veelvuldig gehinderd, met een scheef oog bekeken, en vooral als iets minderwaardigs beschouwd.

Boon noemde zichzelf een socialist (“Om het even welke kleur bevalt me, als ze maar rood is”), een anarchist, een journalist maar ook een beetje een viezen tist. Ook vandaag nog doet de in 1979 overleden Boon hiermee in conservatieve milieus stof opwaaien.

Boon rubriceerde en inventariseerde zijn vrouwen met een satirische wetenschappelijkheid.
Daarin vallen bijvoorbeeld op ‘liefde in de modder (11057 tot 11060)’, ‘Het klaarkomen of orgasme van de trouweloze echtgenote (11061 tot 11064)’, als onderdeel van ‘De anus als centraal punt’ is opmerkelijk ‘a. Bij de paring de anus opentrekken (11071 tot 11082)’ en ook ‘Fetischisme bij de vrouw (11470)’.

Het boek bevat veel illustraties van naakte of halfnaakte meisjes en vrouwen met titels als ‘Het Lolita-meisje’, ‘De uitnodigende vrouw’, ‘Versieren van het naakt’, ‘De Joegoslavische’.
Daarnaast staat verduidelijkende tekst over de afgebeelden en over het bloot. Ook de geschiedenis van het badkostuum wordt uit de doeken gedaan.

Bij het Lolita-meisje staat de volgende tekst: “Foto’s van naakte meisjes van hun elfde tot hun vijftiende levensjaar. Bewust van hun rijpende geslacht tonen zij, door houding en opschik, door de zwellende tietjes en het reeds beboste kutje, hun ‘vrouw’-zijn. Duidelijk manifesteren ze zich reeds als lustobjekt en eisen zij hun plaats in onze samenleving op.” Naast de tekst is een foto te zien van ’12-jarige met reeds volgroeid bosje, 1975’.

Ook bekende vrouwen als Marilyn Monroe en Raquel Welch zijn opgenomen in deze semi-wetenschappelijk gedocumenteerde feminatheek. Duidelijk is wel dat Boon bijzonder veel plezier beleefde aan het samenstellen van zijn Feminatheek. Van Brigitte Bardot’s achterwerk vindt hij dat zij ook een ziel heeft (!)

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Boek, Schrijvers en getagged met , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s