Joseph Abbeel – Herinneringen aan “La Grande Armée”

De bibliotheek is een wonderlijke uitvinding. Een tijdje geleden ontdekte in in de plaatselijke Bib dit werkje van Joseph Abbeel.

Joseph Abbeel (Vrasene 1786 – Anzegem 1866) was een Vlaams soldaat die onder de conscriptie in het Franse leger ingelijfd werd. Eén van de 216.111 “Belgen” was Joseph Abbeel.

Hij nam in 1812 deel aan de Veldtocht van Napoleon tegen Rusland.

Hij is één van de weinigen die deze verschrikking overleefden. Hij zag Moskou branden, keerde terug, maar werd krijgsgevangen genomen in de buurt van Hamburg. Het duurde nog tot 1815 voor hij terug thuis kwam.

Joseph Abbeel wordt in 1806 als soldaat ingelijfd in het leger van Napoleon. Met meer dan 500.000 andere soldaten trekt hij in 1812 met Napoleon Rusland binnen. Hij is een van de weinigen die het zal overleven. Abbeel maakt alle verschrikkingen van de veldtocht mee: hij lijdt honger en dorst, plundert om aan eten te komen, ontsnapt ternauwernood aan kozakken, zit onder het stof en ongedierte, raakt gewond in een veldslag, ziet Moskou branden – en dan moet de lange tocht terug nog beginnen.

De dood is nooit ver weg – en Abbeel verlangt er soms naar – maar op miraculeuze wijze ontglipt dat lot hem telkens. Wanneer hij Hamburg bereikt en denkt dat zijn ellende bijna voorbij is, wordt hij krijgsgevangen genomen. Dan begint een tocht naar de Wolga, nog achthonderd kilometer verder dan Moskou.

Jaren later, eindelijk terug in Vlaanderen stelt Abbeel zijn herinneringen op schrift. Hij doet dat beeldend, met humor en oog voor detail, zodat we zijn avonturen letterlijk meebeleven.

Joseph Abbeel overleeft de napoleontische oorlogen, maar keert als oorlogsinvalide terug. Wanneer hij uit krijgsgevangenschap terugkeert gaat hij naar Kaster, waar zijn oom werkt als notaris en burgemeester.

Joseph Abbeel overlijdt in Anzegem op 25 september 1866, bijna tachtig jaar oud. Heel zijn leven is hij ongehuwd gebleven.

Het begin (Hoofdstuk I)  klinkt weinig opgewekt : “Het begin van de ellende”. Hij vertelt eerlijk dat hij bij zijn oproeping in eerste instantie vervangers zocht, maar dat beide kandidaten afgewezen werden.

Vanuit Gent moeten ze – te voet – naar Lunéville in Frans Lotharingen. De kazerne lag in het  “Petit Versailles” van Stanislas II,  de vorige koning van Polen. Daar kreeg Abbeel gezelschap van andere Vlamingen, o.a. Pierre Vloers uit Turnhout, die in oktober 1812 “verloren ging” in Litouwen.

In 1807 trok het regiment naar Pruisen en Polen. Bij Friedland (Oost-Pruisen) vocht zijn regiment een eerste keer tegen de Russen. Het paard van Abbeel werd er gedood door een kanonskogel in het hoofd. Zelf kreeg hij een kogel dwars door zijn arm. Hij en zijn kompanen bevoorraden zich door boeren te beroven. Toch zitten ze soms vijf à zes dagen zonder brood.

Op de terugweg naar Berlijn wordt hij ernstig ziek, zo erg zelfs dat hij zijn eigen doodsbrief wil schrijven en dat de chirurgijn bevel geeft om hem te begraven. Maar op weg naar het kerkhof komt hij terug tot leven !

In 1809 volgt de oorlog tegen Oostenrijk. Abbeel en zijn maten zijn blij dat ze weer mogen vechten, na deze periode van “mortel ennui”. Het is touwens ook de enige manier om wat geld te verdienen. Oostenrijk wordt verslagen bij Regensburg (Beieren) en bij Wagram, ten noordoosten van Wenen. In die buurt slaapt Abbeel met een lijk als hoofdkussen.

Na deze overwinning sluit Napoleon vrede met Oostenrijk en keert het leger terug naar Frankrijk. In Lunéville krijgt Abbeel in 1811 een verlofpas om voor drie maanden naar huis te gaan, na vier jaar afwezigheid. Over deze periode zegt hij praktisch niets. Hij is een soldaat en is meer gehecht aan het leger dan aan zijn familie.

In september 1811 trekken de soldaten weer op.

Abbeel beschrijft een aantal  baldadigheden die hij en zijn kornuiten begaan tegenover de lokale bevolking, o.a. in Aldekerk (tussen Kempen en Geldern).

Over Münster schrijft hij dat de mensen er arm zijn en hun voeding pover. In Saksen en Polen herhalen de soldaten de wreedheden van Aldekerk.

Over Polen zegt hij : “De armoede in dit land is met geen pen of mond te beschrijven. De mensen bewerken hun grond slecht, het zijn luiaards en dieven, die als lijfeigenen de grond van baronnen en prinsen bewerken, die bovendien de mooiste vrouwen misbruiken”.

Op 24 juni 1812 trekken ze de grens tussen Polen en Rusland over. Herhaaldelijk maken ze mee dat de Russen grote voorraden haver en koren in brand steken. Tegelijk doen de Franse militairen niets anders dan het eten uit de huizen plunderen. Smolensk wordt ingenomen. Er vallen 40.000 doden en gewonden.

Op 7 september 1812 verslaan de Fransen Koutousov bij Borodino. Op 14 september bereiken ze Moskou.

Hier begint het débacle. Op 17-18 september steken de Russen hun eigen stad en de grote voedselvoorraden in brand. De houten huizen gaan  in de vlammen op. Van 14 september tot 23 oktober bivakkeert het leger bij Moskou. Het wordt kouder en kouder, er is geen eten meer behalve het vlees van hun paarden . De generaals en officieren zijn dan al verdwenen bij de eenheid waar Abbeel dient, althans volgens de auteur.

Op 23 oktober vertrekken nu ook de soldaten richting vaderland. Ze moeten nog 700 uur gaan, door de modder, zonder eten, met te weinig kleren, blootsvoets , want ze hebben hun laarzen die vol luizen zaten verbrand.

Op 11 november zijn ze (weer) in Smolensk. Dan hebben ze al één derde  van hun leger verloren door honger en vrieskou. De sneeuw ligt 60 cm hoog.

Op 26 november dooit  het even.  Daarom is de rivier Berezina niet dichtgevroren. De oversteek van deze rivier begint op die dag. Die overtocht verloopt dramatisch, chaotisch en met zeer grote verliezen.

Het leger van Napoleon zat in de val, en de brug over de rivier was verbrand. Het Franse leger dat aan de terugtocht uit Moskou bezig was, was door ziekte, gebrek en de ingetreden strenge koude in een treurige toestand geraakt. Het telde weliswaar nog 70.000 man, maar nauwelijks de helft was bewapend; de rest werd gevormd door een ordeloze troep in lompen gehulde, bleke en zonderlinge gestalten met lange baarden, die alleen nog moed en kracht bezaten om elkaar het schaarse voedsel dat nog over was te betwisten.

De ingesloten Napoleon bedacht een plan om uit de opgezette val te ontsnappen: het leger van Tsjitsjagov werd misleid door desinformatie en trok zuidwaarts langs de Berezina. Op 24 november werd gestart met de voorbereidingen tot het bouwen van een brug in Stoedzjenka, verder stroomafwaarts, onder bevel van generaal Aubry. Op die plaats was de rivier 20 m breed en voorzien van een wad met een maximale diepte van twee meter. De oevers waren evenwel laag en drassig en waren doorsneden door ondiepe zijarmen waardoor de brug aan beide zijden een stuk langer moest worden.

De dag daarop arriveerde generaal Jean-Baptiste Eblé met vierhonderd merendeels Nederlandse pontonniers. In de ochtend van 26 november construeerden kapitein George Diederich Benthien en zijn Hollandse pontonniers in het ijskoude water het eerste van de 23 brugjukken. In deze uiterst moeilijke omstandigheden, waarbij sommigen door de sterke stroming werden meegesleurd of aan onderkoeling bezweken, kweten zij zich die voormiddag voorbeeldig van hun taak. De brug met een lengte van honderd meter bij vier meter breed, in hoogte variërend van één tot drie meter, betekende in deze omstandigheden een uitzonderlijk werkstuk. Het korps van maarschalk Oudinot stak als eerste de Berezina over en ontplooide zich op de linkeroever naar het zuiden om een te verwachten aanval van Tjitsagov af te weren.

Ondertussen werd vijftig meter stroomafwaarts een tweede iets stevigere brug geconstrueerd voor de overtocht van de artillerie en de bagagewagens. Napoleon zelf stak met de garde 27 november ’s middags de rivier over. Tot dat tijdstip hadden de Russen de overtocht niet belemmerd, maar wel was deze vertraagd doordat er telkens nieuwe planken op de infanteriebrug moesten worden aangebracht en was de andere brug tweemaal gebroken, terwijl het chaotische opdringen van achterblijvers ook al zorgde voor oponthoud.

Tegen de avond brak de andere brug voor de derde maal en nauwelijks was deze hersteld, of soldaten en wagens drongen in zulke dichte massa’s voor de brug op, dat er voor de korpsen die nog aan de discipline gehoorzaamden haast geen doorkomen aan was. Iedereen probeerde naar de overkant te komen. Mensen kwamen door het gedrang op de bruggen in het water terecht. Anderen probeerden over het zwakke drijfijs of zwemmend de rivier over te steken, wat slechts weinigen gelukte.  De toegang tot de brug werd bewaakt door gendarmes waardoor alleen de strijdbaarste krachten voorrang kregen; achterblijvers, gewonden en een grote groep burgers bleven op de rechteroever.

De Nederlandse troepen dekten twee dagen lang de aftocht. Twee derde van de soldaten werd gedood of gewond en het restant gaf zich op de 28e november over. Slechts de commandant van de Pontonniers, Kapitein George Diederich Benthien, sergeant-majoor Schroder en zes van zijn mannen hebben de bouw van de brug en de slag overleefd.

Abbeel van zijn kant kan ontkomen en vlucht verder Westwaarts. Onder weg worden ze opgejaagd door de Kozakken en zien ze de ene makker na de andere sterven. Abbeel zelf is bij momenten ook meer dood dan levend.

In Hamburg treft hem het noodlot : hij wordt gevangen genomen door de Kozakken, “die vervloekte en vermaledijde honden”. Duizend  kilometer heeft hij dus tevergeefs afgelegd. Op 2 mei 1813 begint de terugtocht van ca. 1000 krijgsgevangenen richting Moskou, begeleid door twaalf (!) Kozakken.

De “gedwongen reis” gaat over Berlijn naar de Baltische Zee. Na een woelige zeereis komen ze aan in Narva, nabij Sint-Petersburg. Dan moeten ze te voet verder naar Novgorod, Moskou, een Duitstalige kolonie bij Saratov (aan de Wolga). Eind december 1813 bereiken ze Novo-Sabacsarski, in Kazan, eveneens aan de Wolga. Het sterftecijfer onder de militairen in Russische krijgsgevangenschap ligt dramatisch hoog : van de 6000 die zich in juni 1813 hebben ingescheept, zijn er in maart 1814 nog 170 in leven (255).

Op 30 mei 1814 komt de Vrede van Parijs (Napoleon zegt “qu’il impose la paix”) . Dit is goed nieuws voor Abbeel want de niet-Franse krijgsgevangenen mogen naar huis. Ze zijn zeer verheugd dat ze “dat barbaarse Rusland mogen verlaten en terugkeren naar de beschaafde wereld”. In zijn handschrift  verwoordt hij  het als volgt :”zeer verheugde van die wilde en domme natie te mogen verlaeten, om met menschen te gaen leéven”.

Voordat de terugkeer uit Azië begint neemt Abbeel even de tijd om het Rusland dat hij kent te beschrijven :

“Een uitgestrekt, dun bevolkt gebied, met veel bossen, allemaal houten woningen, behalve de kerken met hun koperen daken.
De mensen zijn dik, plomp, dronkaards, dieven, nietsnutten, zedeloos, ongeletterd, naïeve slaven van baronnen. De kleine boeren hebben paarden en koeien die kleiner zijn dan bij ons. Genezen doen ze met een soort sauna, zonder dokters. Ze zijn zelden ziek en worden heel oud. Trouwen doen ze op 14 à 15 jaar, zonder verkering vooraf. De ouders regelen het huwelijk. Verharde wegen zijn er bijna niet”.

Via het noorden van Polen en Duitsland bereiken ze Deventer, Arnhem, Nijmegen. In maart 1815 vernemen ze dat Napoleon uit Elba onder weg is naar Parijs. In Hoogstraten worden ze het best ontvangen. Nabij Turnhout vragen mensen  of  Vloers nog leeft. Hij weet dat zijn makker dood is, maar liegt en zegt dat hij op komst is. In Valenciennes wordt zijn groep mishandeld, omdat de inwoners vrezen dat deze militairen Napoleon gaan helpen. In Rijsel verblijven ze enkele maanden  in de citadel.

Over Waterloo (juni 1815) zegt hij geen woord. Na die nederlaag valt het doek over Napoleon.

Op 27 augustus neemt Abbeel  afscheid van zijn lotgenoten. Een dag later  komt hij aan in Kaster (Anzegem, West-Vlaanderen), waar zijn moeder is gaan wonen na het overlijden van haar man (1810) en waar haar broer notaris en burgemeester is.

Jef Abbeel eindigt zijn avontuurlijk verhaal als volgt : “Tien jaar heb ik gediend te paard en tien verwondingen heb ik opgelopen in Oostenrijk, Pruisen, Polen en Rusland, zonder daarvoor maar enige beloning van de Franse staat te ontvangen. Geschreven en nagekeken te Kaster op 17 juli 1817, J. Abbeel, ex-carabinier”.

Het manuscript werd pas in 1969 uit de vergetelheid gehaald door Generaal Willems. Deze vertaalde het in het Frans. Zo kwam het boek in Vincennes terecht .

Nergens toont hij dat hij zijn familie mist. Ze ontbreekt compleet in zijn verslag. Hij vermeldt nergens iets over een brief naar of van zijn familie. Het overlijden van zijn vader in 1810 en de verhuis van zijn moeder van Vrasene naar Kaster, weten we uit andere bronnen. Lotgenoot Willem Kenis uit Loenhout daarentegen is dolblij wanneer hij zijn vader en moeder eindelijk terugziet. Hij had hen al die jaren enorm gemist.

Abbeel vermeldt nooit waarom Napoleon tegen iemand gaat vechten. Hij is een soldaat van “La Grande Armée” en dat is genoeg.

Dit bericht werd geplaatst in Boek, Gelezen, Geschiedenis, Oorlog en getagged met . Maak dit favoriet permalink.

Een reactie op Joseph Abbeel – Herinneringen aan “La Grande Armée”

  1. Heel interessant, dank je wel! De ontberingen in Rusland moeten vreselijk geweest zijn. De parallellen met de Duitse inval tijdens WWII vallen me op (winter/deportaties).

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s