De vrouwen van Leopold II

Leopold huwde op 18-jarige leeftijd met Maria Hendrika van Oostenrijk, zij was de kleindochter van Leopold II van Oostenrijk. Ze schonk hem vier kinderen:

• Louise (18 februari 1858 – 1 maart 1924), trouwde met Filips van Saksen-Coburg en Gotha
• Leopold (12 juni 1859 – 22 januari 1869)
• Stefanie (21 mei 1864 – 24 augustus 1945), trouwde met Rudolf van Oostenrijk
• Clementine (30 juli 1872 – 8 maart 1952), trouwde met Napoleon Victor Bonaparte.

Stéphanie en Louise.

Omdat zijn enige zoon en troonopvolger Leopold op jonge leeftijd overleed, werd zijn broer prins Filips, graaf van Vlaanderen troonopvolger, deze was nagenoeg doof en daarom achtte Leopold hem niet in staat de Belgische troon te bestijgen.

Hij vestigde zijn hoop op diens zoon Boudewijn, die echter ook vroegtijdig stierf.

De Franse danseres prinses Cléopâtre-Diane de Mérode (1875 – 1966) (bijgenaamd Cléo) zou geruime tijd zijn maîtresse zijn geweest, maar officieel heeft zij dat altijd ontkend. De koning heeft een tijdlang de spotnaam “Cléopold”  gekregen en er circuleerden spotprenten over deze al dan niet vermeende affaire. Zijn vrouw overleed in 1902.

Leopold II zou veel meer dan zijn vader vereenzelvigd worden met zijn minnaressen en privé-schandalen. Het duurde nochtans even voor hij op kruissnelheid kwam: “les Cobourgs se font tard” wordt gezegd.

In 1885 werd Leopold voor het eerst in opspraak gebracht door William Stead, de vader van de onderzoeksjournalistiek. Stead had blootgelegd dat de Londense luxe-prostituee Mary Jeffries minderjarige meisjes leverde aan hooggeplaatste heren. Bij de verhoren liet Jeffries zelf de naam van de koning der Belgen vallen. In België zelf kreeg dit alleen weerklank in de socialistische kranten. De onthullingen van op het proces tegen Jeffries deden de verkoopscijfers spectaculair stijgen, maar Leopold II liet de storm overwaaien.

Men zegt dat er met de buitenechtelijke affaires van onze bebaarde vorst een heel boek te vullen is.

La Belle Otero

Onder haar artiestennaam La Belle Otero had ze als Andalusische zigeunerin snel enorm succes, aanvankelijk te Marseille en Parijs. Haar exotische dansoptredens veroorzaakten regelmatig een schandaal maar maakten haar ook tot een van de meest besproken en gevraagde artiesten uit haar tijd. Samen met haar danspartner Evariste reisde ze de hele wereld over en trad op in New York City, Wenen, Berlijn, Moskou en Sint-Petersburg. Haar grootste successen vierde ze echter vanaf 1894 in de Folies Bergère, opnieuw te Parijs, na 1900 ook met veelgeprezen pantomimes. In 1898 speelde ze ook nog in een korte Russische speelfilm, Valse Brillante, waarmee ze tevens geldt als een van de eerste “filmdiva’s”.

Meer nog dan als variétéartieste is La Belle Otero de geschiedenis in gegaan door haar leven als courtisane en minnares van vele hoogwaardigheidsbekleders en kunstenaars, uit alle denkbare landen, onder wie vorst Albert I van Monaco, koning Leopold II van België, tsaar Nicolaas II van Rusland, keizer Wilhelm II van Duitsland, koning Alfons XIII van Spanje, koning Eduard VII van het Verenigd Koninkrijk, koning Peter I van Joegoslavië, Abbas II van Egypte, de schrijver Gabriele D’Annunzio en sjah Reza Pahlavi van Perzië. Van haar minnaars ontving ze vele peperdure geschenken, waaronder vorstelijke huizen en legendarische juwelen

Voor een nacht met haar zou Leopold II 20.000 francs hebben betaald. Een enorme som coor die tijd.

En dan was er  Caroline Delacroix. In 1900 werd de ouder wordende koning meermaals opgemerkt, wandelend met een meisje van zestien aan zijn zijde. Caroline Delacroix, bijgenaamd  “La poupoule de Popol”  en volgens sommigen een prostituee, deed alsof ze een zus was van een van Leopolds adjudanten, maar in werkelijkheid was ze zijn minnares.  Hij noemde haar “Très Belle”, zij noemde hem “Très Vieux” (!)

Drie jaar voor de dood van zijn echtgenote koningin Marie-Henriette kreeg de 64-jarige koning in 1900 een relatie met het 16-jarige goed opgeleide meisje uit Parijs. De twee ontmoetten elkaar op de wereldtentoonstelling van 1900 in Parijs; volgens andere bronnen ontmoette hij haar al in 1899 tijdens een incognitoreis. Toen de vorst haar vroeg of ze wist wie hij was, antwoordde ze ‘Koning Oscar van Zweden’. Wat in het begin een flirt leek, groeide uit tot een blijvende relatie.

Toen Leopold in 1902 weduwnaar werd, stond niets zijn relatie met het meisje nog in de weg. Blanche kreeg  een vaste residentie in Laken, in de Villa Vanderborght. Leopold zou een tunnel tussen het kasteel en de villa hebben laten aanleggen om haar te kunnen bezoeken. Na zijn dood liet Albert I, Leopolds opvolger, deze gang onmiddellijk dichtmetselen. Blanche kreeg ook een villa in Oostende en het kasteel van Balincourt in Arronville (Val-d’Oise) en de Villa des Cèdres in Saint-Jean-Cap-Ferrat (!).

Ze kreeg recht op een lijfwacht, want als ze in Brussel rondliep kreeg ze vaak verwijten en soms zelfs stenen naar haar hoofd geslingerd.

Hij schonk haar twee kinderen :  Lucien Philippe Marie Antoine (1906-1984) door zijn vader verheven tot hertog van Tervuren en Philippe Henri Marie François (1907-1914), die de titel graaf van Ravenstein kreeg. Beide adellijke titels werden informeel verleend en nooit door de Belgische Staat erkend. Leopold was zeer gelukkig met zijn jongste kinderen, daar zijn troonopvolger op jonge leeftijd gestorven was.

Toch kon Leopold het lonken niet laten. Zij was alleen kerkelijk in de echt verbonden met de vorst. Leopold II liet echter geen officiële mannelijke erfgenamen na.

Toen Caroline hoogzwanger was, plaatste hij een contactadvertentie in de krant Le Soir: ,,Oude, gedistingeerde heer zkt kennismaking mt winkeljuffrouw of arbeidster, 20 tot 22jaar, mooi, zwartharig, dik en gezond”.

Leopold schonk Caroline de titel barones de Vaughan en trouwde met haar op zijn sterfbed in 1909.

Toen Blanche zwanger was van haar tweede zoon, woedden er hevige geruchten, dat niet Leopold, maar haar vroegere minnaar Durrieux (die ze voor Leopold in de kou had laten staan) de vader zou zijn. Durrieux dook in die tijd ook te pas en te onpas op in Brussel. Haar tweede zoon werd geboren met atrofie aan de linkerhand; juist die handicap was voor Leopold het bewijs dat hij de vader is. Vijanden van de koning spotten dat het jongetje “een stompje heeft zoals de negers bij wie Leopold een hand heeft laten afhakken”.

Wie zoekt, die vindt het graf van Caroline in de divisie 94 op het kerkhof Père Lachaise in Parijs.

Dit bericht werd geplaatst in Gezichten uit het verleden en getagged met , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s