Harriet Tubman – de “Mozes” van haar volk.

Harriet Tubman werd geboren als Araminta “Minty” Ross. Vader (Ben Ross) en moeder (Harriet – “Rit”  Green)  waren beiden slaven.

Rit was eigendom van Mary Pattison Brodess (en later haar zoon Edward). Ben was eigendom  van Anthony Thompson, die later de tweede echtgenoot van Mary Pattison zou worden. Hij bezat een grote plantage in de buurt Blackwater River in Madison, Maryland.

Zoals voor veel slaven in de Verenigde Staten, werden noch het exacte jaar, noch de geboorteplaats van  Araminta opgetekend.

Waarschijnlijk is dat ergens in 1822, want dan bestaan er geschriften over het betalen van een vroedvrouw voor de geboorte van een slaaf.

Modesty, de  grootmoeder van moeders kant, was met een slavenschip aangekomen in de US vanuit Afrika. Verder is er geen informatie beschikbaar over andere familie.

Als kind werd Tubman verteld dat ze van Ashanti afkomst (van het huidige Ghana) was. Haar moeder Rit (die waarschijnlijk het kind van een blanke man was)  was een kok voor het  Brodess gezin.  Haar vader Ben was een ervaren houthakker die het houtwerk beheerde op de plantage.  Zij trouwden (“they jumped the broomstick”)  omstreeks 1808, en hadden negen kinderen samen:. Linah, geboren in 1808, Mariah Ritty in 1811, Soph in 1813, Robert in 1816, Minty (Harriet) in 1822, Ben in 1823, Rachel in 1825, Henry in 1830, en Mozes in 1832.

Rit probeerde uit alle macht haar familie samen te houden wanneer de slavernij na de burgeroorlog  in elkaar stuikte.  Edward Brodess verkocht drie van haar dochters (Linah, Mariah Ritty en Soph), wat hen voor altijd scheidde van de rest van de familie. Wanneer een handelaar uit Georgia Brodess benaderde  om Rit’s jongste zoon, Mozes, te kopen, verborg  ze hem voor een maand, geholpen door andere slaven en vrije zwarten.  Uiteindelijk kwamen  Brodess en “the Georgia man”  naar de slavenkwartieren om het kind te grijpen. Rit huilde : “You are after my son; but the first man that comes into my house, I will split his head open.”  Brodess trok zich uiteindelijk terug en zag af van de verkoop.

Omdat Tubman’s moeder werd toegewezen aan “het grote huis” (The Big House of het verblijf van de meesters) en nauwelijks tijd had voor haar gezin, zorgde Tubman voor haar jongere broer en een baby. Zo ging dat in de grote slavenfamilies.

Wanneer ze vijf of zes was verhuurde Brodess haar uit om een vrouw met de naam “Miss Susan” als kindermeisje bij te staan. Tubman moest op de baby passen terwijl hij sliep. Wanneer de baby wakker werd en huilde werd Tubman gegeseld.  Later vertelde ze van een bepaalde dag waarop ze  wel vijf keer werd gegeseld nog voor het ontbijt.  Ze droeg  de littekens voor de rest van haar leven.

Als kind werkte Tubman ook bij een planter genaamd James Cook. Ze moest de muskusrat vallen in de nabij gelegen moerassen controleren, zelfs wanneer ze de mazelen had. Ze werd zo ziek dat Cook haar terug naar Brodess stuurde.

Eens genezen verhuurde Brodess haar opnieuw.  Toen ze opgroeide en sterker werd, werd ze  toegewezen aan veld en bos werk, de ossenploeg besturen,  ploegen, en hout vervoeren.

Op een dag werd Harriet naar een winkel gestuurd voor benodigdheden. Daar kwam ze een slaaf tegen die het gebied had verlaten zonder toestemming. Zijn opzichter, woedend, eiste dat Tubman hielp met het bedwingen van de jonge man. Ze weigerde. Wanneer de slaaf wegliep wierp de woedende opzichter een houten blok van een kilo naar de slaaf, die echter op Tubmans hoofd terecht kwam.

Ze zei later dat waarschijnlijk haar ongekamde haarbos haar had gered.  Bloedend en bewusteloos werd Tubman terug naar het huis van haar eigenaar gebracht. Ze bleef er zonder  medische zorg voor twee dagen.
Ze werd uiteindelijk teruggestuurd naar de velden, “met bloed en zweet dat over mijn wangen rolden totdat ik niets meer zag”.  Haar baas zei dat ze “nieteens een sixpence waard was” .

Brodens probeerde haar opnieuw te verkopen maar al of niet geveinsde aanvallen beletten hem dat. Waarschijnlijk was dit nog een gevolg van de zware klap op haar hoofd.

In 1840 werd Tubman’s vader, Ben, vrijgelaten of “gehandlicht” , d.w.z. bevrijd van de slavernij op de leeftijd van 45 jaar, zoals bepaald in het testament van zijn voormalige eigenaar.  Hij bleef werken als een houtschatter en voorman voor de Thompson familie, die hem als slaaf hadden gehad.

Enkele jaren later nam Tubman contact op met een blanke advocaat en betaalde hem vijf dollar om de juridische status van zijn vrouw te onderzoeken. Deze advocaat ontdekte  dat een vorige eigenaar inderdaad instructies had gegeven om Rit, net als haar man, vrij te laten op de leeftijd van 45.  Hetzelfde diende te gebeuren met hun kinderen. De Pattison en Brodess families hadden dit uiteraard genegeerd wanneer zij de slaven erfden.

Rond 1844 trouwde Harriett met een vrije zwarte man genaamd John Tubman.  Er is weinig bekend  over hem of hun tijd samen. Het probleem was dat hun eventuele kinderen ook slaaf zouden zijn.

Tubman veranderde haar naam van Araminta naar Harriet, kort na haar huwelijk, hoewel de exacte datum onduidelijk is.  Ze nam haar moeder’s naam.


In 1849 werd Tubman weer ziek, en haar waarde als slaaf verminderde weer als gevolg. Edward Brodess probeerde haar te verkopen, maar kon niet echt een koper vinden. Tubman begon te bidden voor haar eigenaar en  vroeg God om hem tot beter inzichtt te laten komen. “I prayed all night long for my master,” zei ze, “till the first of March; and all the time he was bringing people to look at me, and trying to sell me.”

Toen bleek dat hij misschien een koper had gevonden  veranderde Tubman haar gebeden en bad : “Oh Lord, if you ain’t never going to change that man’s heart, kill him, Lord, and take him out of the way”.   Een week later stierf Brodess.

Brodess’s dood beteknde echter dat de kans om verkocht te worden reeëler werd dan ooit, en dat de famlie voor altijd zou uiteenvallen.

Ze besloot te vluchten, maar zonder haar man op de hoogte te brengen. Toen ze hem eerder had verteld dat ze droomde van vluchten en een vrij leven, had hij haar gezegd dat hij haar aan zou geven. Harriet bracht alleen een zus op de hoogte.

Al gauw werd een beloning uitgeloofd voor wie de drie weggelopen slaven zou terugbrengen.

Driehonderd dollar beloning voor Araminta (Minty) en haar broers Harry en Ben.

Tubman en haar broers, Ben en Henry, ontsnapten op 17 september 1849. Tubman werd verhuurd aan Dr Anthony Thompson, die een grote plantage eigendom bezat in een gebied genaamd Populier Neck in het naburige Caroline County.

Het was een reis van 130 kilometer naar de Mason-Dixie line en een reis vol gevaren voor een vluchtende slavin. Maar ze redde het, ze reisde alleen ’s nachts en kon nauwelijks geloven dat ze aangekomen was in een land waar ze vrij was.

Ze vestigde zich in Philadelphia, een stad waar de antislavernij beweging groot was en het “abolitionisme” sterk leefde. Harriet ging werken als afwashulp en spaarde geld om haar familieleden te bevrijden. Een jaar later vertrok ze naar het zuiden en redde het gezin van haar zus. Daarna bevrijdde ze haar broers en ging op zoek naar haar man.

In de herfst van 1851 keerde Tubman voor het eerst sinds haar ontsnapping terug naar Dorchester County, dit keer op zoek naar haar man, John. Die was ondertussen getrouwd met een andere vrouw, Caroline. Tubman vroeg of hij met haar weg wou, maar hij vertelde haar dat hij nu gelukkig was in zijn nieuwe leven.

Harriet (links) met een groep weggelopen slaven.

Wanneer ze de Mason Dixon line overschreed vertelt ze : “When I found I had crossed that line, I looked at my hands to see if I was the same person. There was such a glory over everything; the sun came like gold through the trees, and over the fields, and I felt like I was in Heaven.”

Harriet werd bekend als de ‘Mozes van haar volk’, omdat ze net als Mozes haar volk uit slavernij redde. Ze maakte 19 trips naar het zuiden via de zogenaamde Underground Railroad en bevrijdde ruim 300 slaven.
De plantagehouders in het zuiden waren woedend op deze zwarte vrouw die hen te slim af was en zette een prijs van $40.000 op haar hoofd, maar ze wist telkens weer te ontsnappen.

Haar reizen naar het land van de slavernij hielden enorme risico’s in, maar Haarriett was een geslepen vos. Ze  gebruikte een verscheidenheid van truuks en listen om uit de handen van de wet te blijven. Op een keer zat ze op de trein met een voormalige baas van haar. Ze verschool zich achter een krant, hoewel ze analfabeet was. Waarschijnlijk juist daarom merkte hij haar niet op.

Zij droeg ook een revolver, en was niet bang om die te gebruiken.  Tubman vertelde het verhaal van een reis met een groep van gevluchte slaven. Toen de stemming omsloeg en het moreel  op zijn laagst stond, wenste een van de slaven terug te gaan. Tubman nam haar revolver en zei : “You go or Die”. Hij ging mee.

Een van haar laatste missies in Maryland was om haar bejaarde ouders op te halen. Haar vader, Ben, had Rit, haar moeder,vrijgekocht  in 1855 van Eliza Brodess voor 20 dollar.  Maar zelfs als  vrije mensen bleef de omgeving hen vijandig gezind. Tubman reisde naar Maryland  en leidde hen naar het noorden in de Canadese stad St. Catharines, Ontario, waar een gemeenschap van voormalige slaven (met inbegrip van Tubman’s broers, andere familieleden, en vele vrienden) woonde.

In 1861 werkte ze voor de noordelijke troepen als spion, als kok, als verpleegster. In 1862 bracht ze tijd door in Beaufort, South Carolina (dat toen al bezet was door de noordelijke troepen) waar ze hielp met de opvang van slaven die moesten wennen aan hun nieuwe vrijheid. In 1865 werkte ze als verpleegster in het Colored Hospital bij Fortress Monroe, Virginia. Ook na de Burgeroorlog ging Harriet door met het helpen van mensen. Ze zamelde geld in voor het opzetten van scholen voor bevrijde slaven, voor arme kinderen en zorgde intussen voor haar ouders. Ze transformeerde het huis van haar familie in het Home for Aged and Indigent Colored People.

Sarah Hopkins Bradford, een blanke onderwijzeres schreef de autobiografie van Harriet Tubman, met haar medewerking en het boek verscheen in 1868. Harriet was analfabeet, de slavenhouders stonden niet toe dat de slaven leerden lezen en schrijven. Het was dat boek wat haar door moeilijke tijden hielp toen ze financiëel aan de grond zat. Ook trouwde Harriet in 1868, met Nelson Davis, die ze had ontmoet toen voor de noorderlingen vocht in de Burgeroorlog. In 1888 overleed hij aan tuberculose.

Harriet bleef actief, ook na de afschaffing van de slavernij. Nu ging ze zich inzetten voor het stemrecht voor vrouwen. Ook kocht ze grond om daar een tehuis voor arme, zwarte ouderen te bouwen. Dat lukte haar niet, maar ze gaf de grond aan de African Methodist Episcopal Zion Church die het tehuis stichtten. In 1911 ging Harriet zelf in de tehuis wonen en daar stierf ze op 10 maart 1913. Ze werd begraven op het Fort Hill Cemetry, Auburn, New York.

Ze heeft meer dan 300 slaven helpen ontsnappen naar Canada. Daar had ze 19 reizen naar het zuiden van de Verenigde Staten voor nodig.

Ze was de bekendste medewerker van de Underground Railroad.

De Underground Railroad was een clandestien netwerk van (vaak informele en ad-hoc-) smokkelroutes in de Verenigde Staten waarlangs ontsnapte slaven de zuidelijke staten van de Verenigde Staten konden verlaten en een veilig heenkomen konden zoeken in noordelijke staten die weggelopen slaven beschermden, of anders in Canada.

De Underground Railroad bestond uit onderduikadressen en andere faciliteiten die in het bezit waren van sympathisanten van de abolitionistische beweging. Zij opereerde zoals vele grootschalige verzetsbewegingen: met veel losse cellen die weinig wisten over andere cellen en eigenlijk alleen een paar van hun “buurcellen” kenden. Weggelopen slaven reisden van het ene tussenstation naar het andere en bereikten het Noorden in verschillende stappen. De voornaamste medewerkers van de Railroad waren vrije slaven, Quakers en Wesleyanen, die een stevige, religieuze afkeer hadden van slavernij.

De Railroad was een bron van grote wrevel tussen het Noorden en Zuiden der Verenigde Staten. Veel noordelijken sympathiseerden met diegenen die meehielpen weggelopen slaven in veiligheid te brengen. De zuidelijken eisten jarenlang de invoering van ingrijpende wetten om het oppakken van weggelopen slaven verplicht te stellen — in 1850 nam het Congress dergelijke wetten aan. Hiermee konden weggelopen slaven niet langer in de Verenigde Staten blijven en vervielen alle Railroadroutes die niet naar Canada liepen.

De belangrijkste eindbestemming van weggelopen slaven op de Railroad was het zuiden van de Canadese staat Ontario rond het Niagara Schiereiland en de stad Windsor. Zo’n 30.000 mensen vluchtten met succes naar Canada. Dit leidde tot een belangrijke bevolkingstoename in de nog onderbevolkte Canadese koloniën en deze kolonisten vormden de basis voor de huidige zwarte bevolking van Ontario.

 

 

 

Dit bericht werd geplaatst in Geschiedenis en getagged met , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s